Rechtrichtende buigingsarbeid

Schouderbinnenwaarts

De schouderbinnenwaarts werd door de Hertog van Newcastle (1658) uitgevonden en werd destijds op de volte gereden. De grootste meester aller tijden François Robichon de la Guérinière (1733) bracht de oefening (‘L’Epaule en dedans’ in het Frans) op de rechte lijn. Andere grootmeesters in de geschiedenis betitelden de oefening als ‘hoeksteen’ van de dressuur, ‘steunpilaar’ van de rijkunst, ‘moeder’ van alle oefeningen en zelfs de ‘aspirine’ van de rijkunst, omdat de oefening alle rijkunstige problemen op zou kunnen lossen.


Het is een belangrijke oefening in het rechtrichten van een paard. Het maakt het paard soepel en maakt de achterbenen krachtig en buigzaam. Schouderbinnenwaarts legt de basis voor de verzameling. Bij iedere stap zakt het paard in de binnen heup waardoor het zwaartepunt iets naar de achterbenen wordt verlegd daardoor kunnen de achterbenen gewicht van de voorhand overnemen. Er wordt nogal wat toegeschreven aan deze oefening. Gustav Steinbrecht (1808-1885), een klassieke grootmeester, weidt maar liefst 14 pagina’s in zijn boek Das Gymnasium des pferdes aan dit onderwerp. Ook Nuno Oliveira kent een hoge waarde toe aan deze oefening.

Het doel van de schouderbinnenwaarts is het paard te leren om met zijn binnenachterbeen onder zijn zwaartepunt te treden. Doordat een jong of ongetraind paard door zijn natuurlijke scheefheid een sterker en een mindersterk achterbeen heeft, is het een ideale oefening om het minder sterkere been sterker te maken en bij het sterkere achterbeen de pusch naar achteren te verkleinen en de swing naar voren te vergroten.

Ook de voorbenen hebben profijt van deze oefening. Door het vermeerderd buigen van het binnenachterbeen onstaat een vrijere beweging van de buiten schouder. Ook het binnen voorbeen heeft profijt, omdat het binnenvoorbeen het buitenvoorbeen passeert, worden de spieren en ligamenten in de schouder en bovenbeen gestretcht en losgemaakt.

Uiteraard hebben niet alleen de benen profijt bij deze oefening. Het hele paard wordt getraind. De lange rugspieren moeten stretchen en aantrekken, zo ook de buikspieren. Deze spieren moeten het skelet helpen te buigen.


Schouderbinnenwaarts (ook wel sbw) kan op 3 en op 4 sporen gereden worden. Wanneer sbw op 3 sporen gereden wordt, treedt het binnenachterbeen in het spoor van het buitenvoorbeen. Bij sbw wordt de buiging vergroot en loopt elk been in een apart spoor. Hiermee wordt er een nog grotere draagkracht van het binnenachterbeen verlangd. Al met al een oefening om niet licht aan voorbij te gaan. Naast dat het het paard fysiek veel voordeel oplevert is het ook de basis van alle andere rechtrichtende buigingsoefeningen zoals de travers, renvers, appuyement, en de (werk)pirouette. Als men in deze oefening steken laat vallen komt dat steeds tot uiting in de andere oefeningen. Dus ook hier moet de basis in orde zijn.

Het is heel belangrijk dat men er voor waakt dat het paard buigt door zijn hele lichaam en niet alleen zijn hals naar binnenbrengt of zijn achterhand naar buiten verplaatst.

Aanleren schouderbinnenwaarts

Het is mogelijk door middel van grondwerk sbw aan te leren. Het paard kan zichzelf daardoor makkelijker uitbalanceren en zijn spieren onbelast gebruiken, zonder dat er een ruiter (onbedoeld) hem uit evenwicht brengt of belemmert in de beweging.Aanleren schouderbinnenwaarts

Nadat het paard op de volte heeft geleerd in de lengte te buigen en zijn bovenlijn te stretchen kan er een begin worden gemaakt met schoudervoor op de hoefslag, gevolgd door sbw op de hoefslag. Soms zetten paarden eerst weer hun ‘stuwmodes’ aan en is het dus belangrijk dat het paard eerst geleerd wordt niet te stuwen op de rechte lijn en moet echt stapje voor stapje gewerkt worden.

Bij schouder voor, wordt er een mindere lengtebuiging verlangd en wordt het binnenachterbeen in het spoor tussen de voorbenen geplaatst. Als het paard daarin zijn balans aan beide zijden kan bewaren kan een grotere lengtebuiging gevraagd worden. de sbw op 3 sporen.

Door middel van grondwerk kan men goed obeserveren hoe het paard beweegt. Men kan makkelijk het binnenachterbeen met een aanwijzing van de zweep aanmoedigen meer naar het zwaartepunt te stappen. Door middel van een zweepaanwijzing of prikje met vinger kan men vragen het paard de buikspieren aan te spannen en via de kaptoom wordt de voorwaartsneerwaartse houding gevraagd en lengtebuiging aangegeven. Later als men deze oefening rijdend uitvoert, kan men het visuele beeld combineren met het gevoel, waardoor een compleet plaatje ontstaat.

Het is belangrijk dat men te allen tijde weet waar de achterbenen zich bevinden. We kunnen alleen invloed uitoefenen als een achterbeen van het paard in de lucht is. Pas dan kunnen we aangeven waar het geplaatst moet worden. Geven we een hulp terwijl het achterbeen nog op de grond staat, dan zal het paard meer kracht aan de push naar achteren geven. Ook in de zijgangen is het belangrijk dat men weet waar de achterbenen zijn, zodat men de benen voorwaarts zijwaarts kan plaatsen.

Het doel van de schouderbinnenwaarts is het paard te leren om met zijn binnenachterbeen onder zijn zwaartepunt te treden. Het grote voordeel ligt in het vermeerderd buigen van het binnenachterbeen en de daardoor vrijere beweging van de buitenschouder, omdat deze door het binnenachterbeen ondersteund wordt. Door het rekken van de buitenste rugspieren vergroot de aanleuningsbereidheid aan de buitenteugel. De schouderbinnenwaarts is vooral van grote waarde omdat het tegengas geeft aan de natuurlijke scheefheid en de oefening het paard linksom en rechtsom even soepel maakt.

Wat zijn de hulpen voor schouderbinnenwaarts?

Schouderbinnenwaarts naar links:

  1. Belast je linker zitbeenknobbel;
  2. Houdt je linker been op de singel, deze zorgt voor de buiging, en drijf op het moment dat het linker achterbeen naar voren gaat om dat been uit te nodigen richting het zwaartepunt te stappen;
  3. Plaats je rechterbeen achter de singel om uitzwaaien van het achterhand tegen te gaan;
  4. Vraag stelling met de linkerteugel (alleen stelling vanuit de nek zodat je alleen het linker oog en neusgat ziet);
  5. Houdt met de rechterteugel contact met het bit om te veel buiging van de hals te voorkomen;
  6. Houdt beide hadden laag op gelijke afstand en beweeg beide handen gelijktijdig naar binnen, de buitenteugel komt tegen de shouder van het paard maar mag niet over de schoft gebracht worden.

De volgorde van de hulpen:

  1. Start op de hoefslag en maak vanaf de hoefslag een volte van 10 meter om de buiging voor te bereiden;
  2. Het paard loopt in een goede buiging als je de test uitvoert door de binnenteugel even richting de oren te plaatsen en het paard houdt de buiging correct aan;
  3. Bij aankomst hoefslag, behoudt stelling en buiging en drijf met je binnenbeen en maak een ophouding met je buitenteugel en verplaats je eigen zwaartepunt! rechtuit in de richting van de hoefslag;
  4. Houdt eigen schouders gelijk aan de schouders van het paard en zo ook je eigen heupen gelijk met de heupen van het paard;
  5. Breng beide handen naar binnen (links), houdt de schouders tussen de teugels, en plaats de voorhand ongeveer op 30º van de want af;
  6. De goede buiging is bereikt als het binnenachterbeen in het spoor van het buitenvoorbeen loopt.

Bij punt 3 staat ‘verplaats je eigen zwaartepunt in de richting van de hoefslag’. Hiermee wordt bedoeld om rechtuit te ‘denken’ in dit geval blijf je kijken in de richting waarheen het paard kijkt. Er zijn ook beschrijvingen van de sbw waarbij gezegd wordt om bij aankomst op de hoefslag rechtuit te kijken. Dit is niet verkeerd, echter als de ruiter nog niet zo geoefend is, plaatst de ruiter vaak ook zijn eigen schouders weer in de rijrichting, het gevolg is meestal dat dan de buiten zitbeenknobbel weer meer belast wordt, terwijl we willen dat de binnen zitbeenknobbel meer belast blijft.

Train altijd aan beide zijden dezelfde mate van buiging.

De buiging bepaalt de kwaliteit van de schouderbinnenwaarts.

Valkuilen

De achterhand dient bij de sbw niet van positie te veranderen. De achterhand blijft exact gelijk zoals je rechtuit zou rijden.

Zwaait de achterhand uit (zoals op deze foto) dan is het geen sbw maar wijken voor de kuit in een sbw-positie.

Buiging vragen door te veel binnenteugel te gebruiken (foto). Paard brengt op deze manier alleen zijn hoofd en hals naar binnen en loopt over de buitenschouder weg.

Buiging vragen door alleen de binnenteugel te gebruiken (foto). De binnenteugel dient als een 'open' teugel gebruikt te worden. De buitenteugel neemt de schouders mee naar binnen en de handen blijven op gelijke afstand van elkaar en houden de schouders tussen de teugels.

Op de foto wordt het paard in twee delen verdeeld door de binnenhand. Het breekpunt ligt achter de schoft. Door toch nog iets te corrigeren probeert de ruiter met extra druk van het binnenbeen het paard zijwaarts te laten gaan. Daardoor verliest de ruiter haar balans en valt naar binnen.

Een goede sbw ziet er ongedwongen uit. In de training als de sbw bijvoorbeeld in draf gereden wordt dan dient het draftempo gereden te worden waarin het paard de beste balans laat zien. Dat tempo mag veel lager zijn dan het tempo van een arbeidsdraf.

 

Schouderbinnenwaarts kan op verschillende wijze geoefend worden

Sbw ingezet vanuit de bocht.

Sbw op de cirkel gereden, doorrijden op hoefslag in sbw en nogmaals inzetten op cirkel.

Slangevolte met de bochten in sbw gereden.

op middelijn een paar passen rechtuit
volte tien meter 1x
schouderbinnenwaarts enkele passen
rechtstellen
volte 10 meter 1x
traver
rechtstellen