Relatieve oprichting versus absolute oprichting

In de klassieke dressuur wordt altijd gesproken over relatieve en absolute oprichting.

Wat betekent dat eigenlijk?

Relatieve oprichting staat gelijk aan de natuurlijke hoofd-halshouding die hoort bij het opleidingsniveau van het paard op dat moment. Relatieve oprichting staat in relatie tot het zakken van de achterhand met als zwaarste vorm de piaffe. Relatieve oprichting ontstaat dus door het paard te verzamelen en is dus niet altijd gelijk.

Daar tegenover staat absolute oprichting. Oprichting die met de hand wordt afgedwongen en niet in relatie staat tot het zakken van de achterhand.
absolute oprichting

Op deze foto laat Urban de relatieve oprichting in vrije vorm mooi zien. Hij buigt in de grote gewrichten (heup- en kniegewricht) waarbij het lijkt alsof de voorhand zich heft.

Door een lijn te trekken van de zitbeenknobbel naar de aanzet van de hals zie je de opwaartse richting.

Bij de absolute oprichting wordt geprobeerd een bepaalde mate van verzameling te laten zien zonder dat het paard voldoende zakt in de grote gewrichten van de achterhand. Hoofd en hals worden handmatig hoger en korter geplaatst en staat niet gelijk aan het opleidingsniveau van het paard. Het gevolg is dat de rugspieren niet meer ‘swingen’ maar verstrakken met taktfouten als gevolg en het paard vroeg of laat schade zal toebrengen.

absolute_oprichting2.jpg-for-web-normal

Oprichting en aanleuning kunnen niet met de hand of ondersteund door een ‘hulp’middel worden afgedwongen en gaan op deze manier altijd ten koste van het paard.

Paarden die langdurig ‘diep en rond’ met te korte teugels of met slofteugel zijn gereden, hebben vaak grote moeite zich op te richten. Door de enorme druk van het bit (en soms nog versterkt door een zogenaamde ‘hulp’teugel) rollen zij als het ware over het bit om de druk van het bit te ontwijken. Het geeft de ruiter een gevoel van lichtheid maar helaas is het een valse lichtheid het paard loopt immers ‘achter de teugel’. Bij deze paarden verstrakken de spieren rond de nek waardoor zij belemmerd worden in de beweging en spanning ontstaat. Vaak is er ook een bultvormige verdikking te zien. Door die kort ingestelde hals ontstaat er een holle rug en de achterbenen kunnen niet meer goed ondertreden. Het paard kan op deze manier alleen nog maar handmatig worden opgericht. Door die handmatige oprichting gaat de verbinding van de achterhand naar de hand van de ruiter verloren (eigenlijk was die er sowieso al niet). Het op deze manier langdurig doorrijden geeft vroeg of laat problemen. Bijvoorbeeld taktfouten, overbelasting van de voorhand, pijnlijke rugspieren, slijtage en kreupelheden.

Op de foto van Urban bovenin deze pagina waarbij hij oprichting in vrijheid laat zien, zie je duidelijk terug dat Urban een ex slofteugelpaard is. Zelfs in vrijheid spant hij nog de verkeerde spieren aan. (na een herstelperiode gelukkig verbeterd).

Voorbeelden relatieve oprichting

Basis arbeidsdraf.

Middendraf basis.

Gevorderd.

Relatieve oprichting in passage.

Relatieve oprichting in piaffe.

De neus voor de loodlijn

Op de voorbeeldfoto’s over de relatieve oprichting is goed te zien dat de neus van het paard voor de loodlijn is.

Het verkrijgen van een correcte aanleuning, neemt enige tijd in beslag. Maar eerst zal ook het beeld dat de ruiter voor ogen heeft van een correcte aanleuning, veranderd moeten worden. Nog steeds zien we paarden in de ring die overstrekt zijn in de nek of een valse knik hebben (afgebogen bij de 2e halswervel). Als we meer bewust worden hoe een correcte aanleuning eruit ziet, en hoe die aanleuning wordt verkregen, wordt aanleuning al vanuit een ander perspectief gezien.

Als we het Skala der Ausbildung ernaast leggen zien we dat ‘aanleuning’ op trede 3 staat. Takt (ritme) staat op trede 1 en losgelatenheid op trede 2. Het Skala maakt dus duidelijk dat als trede 1 en 2 al niet in orde zijn, trede 3 en zeker trede 6 (verzameling) eigenlijk onbereikbaar is.

We willen allemaal de neus voor de loodlijn het zogenaamde ‘het neusje eruit’ of ‘aan het bit’. Allemaal termen die we dagelijks in de ring horen en men zegt na te streven. Helaas in de praktijk zien we dat niet zo vaak terug.

We zijn nog steeds te veel gewend aan dit beeld (dat zelfs regelmatig wordt afgedwongen door middel van een ‘hulpteugel’).

Ook houding en zit liggen vaak ten grondslag aan de verkeerde aanleuning zoals bijvoorbeeld te zien is op de foto hiernaast.

De ruiter houdt zich teveel vast aan de teugels en zit daardoor te gespannen op het paard. De schwung vanuit de achterhand gaat daardoor verloren, het paard komt op de voorhand en de neus achter de loodlijn.(deze foto is in scene gezet)

Als we het Skala respecteren dan is de verkregen aanleuning een cadeautje als we de eerste twee treden in acht nemen.

De eerste stappen in de basis naar een correcte aanleuning. Het activeren van de achterhand. Actief in de zin van ruimere passen niet in de zin van versnellen.

Galop in vrijheid in natuurlijke houding. Aan de punt boven de 2e halswervel zijn nog de overontwikkelde spieren te zien die door slofteugelgebruik zijn ontstaan.

 

De passage is nog niet helemaal correct maar op deze foto is duidelijk te zien dat aanleuning ook zonder hoofdstel mogelijk is.